Publieke opdrachten leiden tot delicate verantwoordelijkheidskwesties voor de opdrachtgevende instanties. De Uitspraak nr. 16722 van 23 juni 2025 van de Cassatierechtbank, met Voorzitter L. R. en Rapporteur P. A. P. C., verduidelijkt de plichten van de Opdrachtgever, en herbevestigt een onvermijdelijk beginsel van zorgvuldigheid en controle. Cruciaal voor publieke besturen, bedrijven en burgers met betrekking tot risicobeheer en schadevoorkoming.
De Opdrachtgever is geen passieve partij. De Uitspraak 16722/2025 benadrukt zijn actieve en constante toezichtsrol, met plichten die door de wetgeving zijn voorgeschreven en essentieel zijn voor de correcte uitvoering van de werken en de bescherming van de belangen. In de zaak P. (vertegenwoordigd door A. V.) tegen P., heeft de Cassatierechtbank de noodzaak herbevestigd om deze verplichtingen te controleren om schade aan derden te voorkomen.
Bij de aanbesteding van publieke werken is de opdrachtgever gehouden om specifieke bevoegdheden uit te oefenen en tegelijkertijd te voldoen aan specifieke wettelijke verplichtingen die voortvloeien uit de publiekrechtelijke regelgeving, welke vereisen dat de nodige interventie-, voortstuwings- en adequate, evenals continue toezichtactiviteiten worden geïmplementeerd bij de realisatie van het werk, teneinde de correcte voortgang van de werkzaamheden en hun nauwkeurige uitvoering te waarborgen en derhalve de onmisbare controle, zowel voorafgaand als achteraf, op de conformiteit met de wet en de voorgeschreven technische regels van de werken zelf impliceert. (In dit specifieke geval heeft de S.C. de aangevochten uitspraak, die naliet te onderzoeken of – met betrekking tot de schade aan een onroerend goed als gevolg van een aardverschuiving die voortvloeide uit de door de publieke instantie opgedragen werkzaamheden – er sprake kon zijn van een mogelijke mede-aansprakelijkheid van de opdrachtgevende instantie, in het licht van de op haar rustende verplichtingen na de goedkeuring van het voorlopig en definitief ontwerp van het werk in een gebied dat onderhevig is aan verschuivingen gekenmerkt door translatie- en rotatiebewegingen, vernietigd met verwijzing.)
De rechtsoverweging is duidelijk: de Opdrachtgever moet elke fase van het werk actief superviseren, met "voorafgaande", "continue" en "achteraf" controles. De Rechtbank heeft de uitspraak van het Hof van Beroep van Reggio Calabria vernietigd met verwijzing omdat deze naliet de mogelijke mede-aansprakelijkheid van de publieke instantie te onderzoeken. De zaak betrof schade aan een onroerend goed door een aardverschuiving, als gevolg van werkzaamheden die door de instantie waren opgedragen in een notoir instabiel gebied. De goedkeuring van een project in delicate contexten vereist een versterkte zorgvuldigheids- en toezichtsplicht (art. 2043 en 2055 van het Burgerlijk Wetboek).
De schade aan het onroerend goed door een aardverschuiving, gerelateerd aan publieke werken, benadrukt de mede-aansprakelijkheid van de instantie. De uitspraak verduidelijkt dat de Opdrachtgever specifieke verplichtingen heeft, voortvloeiend uit de wetgeving en de kennis van de context. Indien een project wordt goedgekeurd voor een gebied met geologisch risico, moet de instantie een versterkt toezicht garanderen, met controle van geologische studies en mitigerende maatregelen.
De jurisprudentie staat de overheid niet toe om zich aan aansprakelijkheid te onttrekken door te verwijzen naar de autonomie van de aannemer, met name wanneer de schade voortvloeit uit gebrekkige controle. De artikelen 2043 en 2055 van het Burgerlijk Wetboek zijn essentieel om de publieke instantie mede-aansprakelijk te achten indien haar nalatigheid heeft bijgedragen aan de schade.
De Uitspraak 16722/2025 is een belangrijke oproep aan de Opdrachtgevers. Het beheer van een publieke opdracht vereist een constante en proactieve inzet bij controles en toezicht, essentieel voor de correcte uitvoering van de werken, de naleving van de wetgeving en de voorkoming van schade. Dit impliceert voor publieke instanties de invoering van strenge procedures en investeringen in de opleiding van personeel. Voor burgers en bedrijven versterkt deze uitspraak de mogelijkheid om gerechtigheid te verkrijgen in geval van schade door nalatigheid van de publieke administratie, en consolideert het beginsel van schadevergoeding.