Warning: Undefined array key "nl" in /home/stud330394/public_html/pages/blog-articolo.php on line 42

Warning: Cannot modify header information - headers already sent by (output started at /home/stud330394/public_html/pages/blog-articolo.php:42) in /home/stud330394/public_html/template/header.php on line 61
Inkomstenonderzoek en vennootschappen met een beperkte aandeelhoudersbasis: Arrest nr. 29900/2025 van het Hof van Cassatie | Advocatenkantoor Bianucci

Belastingaanslagen en vennootschappen met een beperkte aandeelhoudersbasis: Arrest nr. 29900/2025 van het Hof van Cassatie

Het thema van belastingcontroles bij vennootschappen met een beperkte aandeelhoudersbasis vormt sinds jaar en dag een vruchtbare bodem voor fiscale geschillen. In deze entiteiten, die vaak een familiaal karakter hebben, neigt de belastingdienst ernaar te veronderstellen dat de hogere winsten die bij de vennootschap zijn vastgesteld, automatisch zijn uitgekeerd aan de aandeelhouders. Maar wat gebeurt er als de aandeelhouder en de vennootschap hun respectievelijke aanslagbiljetten op verschillende tijdstippen of manieren aanvechten? Het recente Arrest nr. 29900 van 12/11/2025 van het Hof van Cassatie heeft een cruciaal procedureel knelpunt aangepakt: de vraag of het noodzakelijk is om de procedure van de aandeelhouder op te schorten in afwachting van de afronding van de procedure van de vennootschap.

Het onderscheid tussen de procedure van de vennootschap en die van de aandeelhouder

Het geschil vloeit voort uit het beroep dat door de A. G. S. (Agenzia delle Entrate) tegen M. C. is ingesteld, naar aanleiding van een beslissing van de Regionale Belastingcommissie van Puglia. Het centrale punt betrof de prejudiciële samenhang tussen de vaststelling van het hogere inkomen van de vennootschap en dat van de aandeelhouder. Volgens een stelling die vaak wordt aangehangen, zou het proces van de aandeelhouder verplicht moeten worden stilgelegd (noodzakelijke schorsing ex art. 295 c.p.c.) totdat er een definitief vonnis over de vennootschap bestaat. Het Hof van Cassatie heeft echter een ander standpunt ingenomen, gericht op het in evenwicht brengen van de proceseconomie met het recht op verdediging.

Noodzakelijke of facultatieve schorsing?

Het Hof heeft verduidelijkt dat er geen sprake is van een automatische verplichting tot schorsing. Dit komt doordat de aandeelhouder en de vennootschap afzonderlijke rechtssubjecten zijn en de fiscale verhoudingen, hoewel verbonden, onafhankelijk blijven. Hier zijn de kernpunten die door de rechters zijn benadrukt:

  • Onafhankelijkheid van de procedures: Het beroep van de aandeelhouder geeft aanleiding tot een proces dat autonoom is ten opzichte van dat van de vennootschap.
  • Recht op tegenspraak: De aandeelhouder mag niet passief de gevolgen ondergaan van een vonnis dat is gewezen in een procedure waaraan hij niet heeft deelgenomen.
  • Technische prejudiciële samenhang: Er bestaat een feitelijke band, maar dit rechtvaardigt slechts een facultatieve schorsing (art. 337 c.p.c.) en geen verplichte blokkering van het proces.
Het aanvechten, door de aandeelhouder van een kapitaalvennootschap met een beperkte aandeelhoudersbasis, van het aanslagbiljet betreffende zijn hogere deelnemingsinkomen, leidt tot een procedure die onafhankelijk is van de procedure die is ontstaan uit het aanvechten, door de vennootschap, van het aan haar opgelegde aanslagbiljet, rekening houdend met het subjectieve en objectieve verschil tussen de betreffende fiscale verhoudingen. Derhalve zijn de voorwaarden voor een noodzakelijke schorsing ex art. 295 c.p.c. van de eerste procedure tot aan het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis dat de tweede procedure beëindigt, niet vervuld, aangezien de aandeelhouder geen nadelige gevolgen kan ondervinden van een gewijsde dat is gevormd in een procedure waaraan hij niet heeft deelgenomen of waaraan hij niet in staat is gesteld deel te nemen. Dit laat onverlet de mogelijkheid voor de rechter om een facultatieve schorsing ex art. 337, tweede lid, c.p.c. te gelasten van de procedure met betrekking tot de aandeelhouder wanneer de procedure met betrekking tot de vennootschap is beëindigd met een vonnis dat nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, vanwege de technische prejudiciële samenhang tussen de twee verhoudingen, voortvloeiend uit de gemeenschappelijkheid van de feitelijke vooronderstellingen, wat leidt tot de uitbreiding van de reflecterende effecten van het gewijsde gevormd in de procedure betreffende de vennootschap naar die betreffende de aandeelhouder, met de daaruit voortvloeiende oplossing van een eventueel ontstaan conflict tussen gewijsden in de zin van art. 336, tweede lid, c.p.c.

Bij het becommentariëren van deze rechtsregel komt duidelijk naar voren dat het Hof van Cassatie wil voorkomen dat de aandeelhouder "gegijzeld" blijft door de procestijden van de vennootschap, tenzij er een specifieke reden is die door de rechter wordt beoordeeld. De facultatieve schorsing ex art. 337 c.p.c. stelt de rechter van de aandeelhouder immers in staat om de uitkomst van de procedure over de vennootschap af te wachten, enkel indien hij dit opportuun acht voor de consistentie van de beslissingen, maar zonder het rigide automatisme van art. 295 c.p.c.

Conclusies

Kortom, het arrest nr. 29900/2025 biedt een betere bescherming aan de belastingplichtige-aandeelhouder, door te garanderen dat zijn recht op verdediging niet wordt ingeperkt door externe procesdynamieken. Voor advocatenkantoren en professionals in de sector vormt deze uitspraak een belangrijk referentiepunt voor het strategisch beheer van fiscale beroepen met betrekking tot vennootschappen met een beperkte aandeelhoudersbasis, waardoor nauwkeuriger kan worden beoordeeld wanneer verzoeken tot schorsing van het proces moeten worden ingediend of bestreden.

Advocatenkantoor Bianucci