Het onrechtmatig dragen van oneigenlijke wapens is een cruciaal thema in het strafrecht, waar openbare veiligheid botst met de proportionaliteit van de sanctie. Het Hof van Cassatie heeft met arrest nr. 20575, gedeponeerd op 3 juni 2025, de toepasbaarheid van de bijzondere geringe ernst van de feiten (art. 131-bis c.p.) verduidelijkt met betrekking tot deze specifieke delictsomschrijving. De beslissing bakent de gevallen af waarin een gedrag, ondanks een ogenschijnlijk geringe schadelijkheid, niet kan profiteren van de uitsluiting van strafbaarheid, met name wanneer een voorwerp wordt gekwalificeerd als een oneigenlijk wapen.
De zaak betrof de heer P. G., veroordeeld voor het onrechtmatig dragen van een oneigenlijk wapen (een houten honkbalknuppel van 70 cm lang). Het Hof van Beroep van Reggio Calabria had op 18 februari 2025 de veroordeling bevestigd, waarbij het de verzachtende omstandigheid van geringe ernst (art. 4, derde lid, Wet nr. 110 van 1975) niet erkende. Het beroep bij het Hof van Cassatie betrof de compatibiliteit tussen het niet erkennen van deze geringe ernst en de toepassing van art. 131-bis van het Wetboek van Strafrecht. Een fundamenteel onderscheid om de logica van de beslissing te begrijpen.
Het niet erkennen van de verzachtende omstandigheid van geringe ernst met betrekking tot het onrechtmatig dragen van een oneigenlijk wapen (in dit geval, een houten "honkbalknuppel" van 70 cm lang) verhindert de verklaring van uitsluiting van strafbaarheid wegens bijzondere geringe ernst van de feiten krachtens art. 131-bis c.p.
De rechtsoverweging is duidelijk: als het dragen van een oneigenlijk wapen niet als van "geringe ernst" wordt beschouwd (W. 110/1975), kan artikel 131-bis c.p. niet worden toegepast om de strafbaarheid uit te sluiten. De beoordeling van "geringe ernst" als specifieke verzachtende omstandigheid prevaleert boven de algemene beoordeling van "bijzondere geringe ernst" van de feiten. De twee concepten opereren op verschillende juridische niveaus: het ene is een specifieke verzachtende omstandigheid, het andere een algemene grond voor niet-strafbaarheid die een geringere algehele schadelijkheid vereist. Deze oriëntatie is consistent met eerdere beslissingen (bv. nr. 13630 van 2019).
Artikel 131-bis c.p. beoogt het gerechtelijk systeem te ontlasten door het mogelijk te maken feiten met een bijzonder geringe schadelijkheid niet te bestraffen. De voorwaarden hiervoor omvatten:
Arrest nr. 20575 van 2025 van het Hof van Cassatie verduidelijkt een fundamenteel beginsel: de bijzondere geringe ernst van de feiten kan niet worden ingeroepen wanneer een speciale wetgeving, zoals die betreffende wapens, reeds de "geringe ernst" van het gedrag heeft uitgesloten. Deze beslissing is een waarschuwing voor burgers: het bezit en dragen van voorwerpen die kunnen kwetsen, ook al zijn het geen eigenlijke wapens, worden met strengheid behandeld om de openbare veiligheid te beschermen. Het is cruciaal om elke situatie zorgvuldig te beoordelen en, bij twijfel, juridische experts te raadplegen.