In het digitale tijdperk vormen cybercriminaliteit een groeiende bedreiging voor burgers en bedrijven. Onder deze valt diefstal via internet, een fenomeen dat voortdurend evolueert en duidelijke en tijdige reacties van het rechtssysteem vereist. Het Hof van Cassatie heeft met het recente arrest nr. 22257 van 09/05/2025 (gedeponeerd op 12/06/2025) een belangrijke verduidelijking gegeven met betrekking tot de vervolgbaarheid van deze misdrijven, met name over de ingangsdatum van de termijn voor het indienen van een aangifte wanneer de wetgeving in de loop van de tijd is gewijzigd. Deze uitspraak is van fundamenteel belang voor iedereen die slachtoffer is geworden van online fraude en voor juridische professionals, en schetst een duidelijk pad in een complex onderwerp.
Diefstal, geregeld in artikel 640 van het Wetboek van Strafrecht, is een misdrijf dat zich voordoet wanneer iemand, met list of bedrog, een ander misleidt en zo een onrechtmatig voordeel verkrijgt ten koste van een ander. Met de vooruitgang van de technologie heeft zich de zogenaamde "diefstal via internet" of "cyber-diefstal" ontwikkeld, vaak verzwaard volgens artikel 640, lid 2-ter, van het Wetboek van Strafrecht, ingevoerd om degenen te bestraffen die de daad plegen "met behulp van informatica- of telematica-instrumenten die geschikt zijn om de identificatie van het slachtoffer of de dader te bemoeilijken".
Tot voor kort waren veel vormen van diefstal, waaronder diefstal via internet met verzwarende omstandigheden, ambtshalve vervolgbaar, wat betekent dat de rechterlijke macht autonoom kon optreden, zelfs zonder aangifte van het slachtoffer. De Wet van 28 juni 2024, nr. 90, en met name artikel 16, lid 1, letter t), heeft echter aanzienlijke wijzigingen geïntroduceerd, waardoor diefstal met verzwarende omstandigheden volgens art. 640, lid 2-ter, op aangifte van het slachtoffer vervolgbaar is geworden. Deze verandering heeft een cruciale vraag opgeroepen: wat gebeurt er met misdrijven die zijn gepleegd vóór de inwerkingtreding van deze nieuwe wet?
De zaak die door het Hooggerechtshof werd onderzocht, waarbij B. M. werd beschuldigd, betrof juist een verzoek tot onontvankelijkheid van het Hof van Beroep van Salerno. De centrale problematiek was het bepalen vanaf wanneer de termijn van drie maanden voor het indienen van een aangifte ingaat, in het geval dat het misdrijf van diefstal via internet met verzwarende omstandigheden is gepleegd vóór de invoering van de specifieke verzwarende omstandigheid en de daaruit voortvloeiende bepaling van de vervolgbaarheid op aangifte. Het Hof van Cassatie, voorgezeten door Dott. L. Agostinacchio en met Dott. P. Cianfrocca als rapporteur, heeft een ondubbelzinnig antwoord gegeven:
Wat betreft diefstal, de termijn voor het indienen van een aangifte, in het geval dat het misdrijf verzwaard is, ex art. 640, n. 2-ter, cod. pen., doordat het op afstand is gepleegd met behulp van informatica- of telematica-instrumenten die geschikt zijn om de eigen of andermans identificatie te bemoeilijken en dat is gepleegd vóór de invoering van deze verzwarende omstandigheid en de bepaling van de vervolgbaarheid op aangifte volgens art. 16, lid 1, letter t), wet van 28 juni 2024, nr. 90, gaat in vanaf de datum van inwerkingtreding van de genoemde wet, bij gebreke van overgangsbepalingen. (Zie Afdeling U, nr. 5540 van 1982, Rv. 154076-01).
Deze uitspraak is van cruciaal belang. In de praktijk stelt de Cassatie dat voor alle misdrijven van diefstal via internet met verzwarende omstandigheden die zijn gepleegd vóór de inwerkingtreding van Wet nr. 90/2024, de termijn van drie maanden voor het indienen van de aangifte niet ingaat vanaf de datum van ontdekking van het misdrijf, maar vanaf de datum van inwerkingtreding van de Wet zelf. Dit beginsel is gebaseerd op het ontbreken van specifieke overgangsbepalingen in de nieuwe wetgeving die de situatie van eerdere feiten anders zouden regelen. Hier wordt verwezen naar het algemene beginsel van strafrecht volgens welke nieuwe procedurele normen onmiddellijk van toepassing zijn op lopende procedures (tempus regit actum), tenzij er specifieke afwijkingen zijn.
De implicaties van deze beslissing zijn veelvoudig:
Het arrest nr. 22257/2025 van het Hof van Cassatie vertegenwoordigt een vast punt in de complexe materie van de vervolgbaarheid van cybercriminaliteit. Het onderstreept het belang van tijdige actie door slachtoffers van diefstal via internet, met name in een voortdurend evoluerende wettelijke context. Het begrijpen van de ingangsdatum van de aangiftetermijnen is essentieel om de mogelijkheid om gerechtigheid te verkrijgen niet te verliezen.
In een digitaal landschap waarin fraude zich snel ontwikkelt, wordt gekwalificeerde juridische bijstand onmisbaar. Ons advocatenkantoor staat klaar om advies en ondersteuning te bieden aan iedereen die slachtoffer is geworden van online fraude, hen te begeleiden door de complexiteit van de wetgeving en de bescherming van hun rechten in elke fase van de procedure te waarborgen.