De recente uitspraak nr. 11608 van 30 april 2024, gedaan door het Hof van Cassatie, behandelt een cruciaal onderwerp binnen de context van onteigening voor het algemeen nut en de bepaling van de schadeloosstelling. In het bijzonder richt de uitspraak zich op de kwestie van de na het sluiten van de overeenkomst ingetreden ongeldigheid van overeenkomsten inzake de schadeloosstelling voor niet-bouwbare percelen, als gevolg van de verklaring van ongrondwettelijkheid van artikel 40, leden 2 en 3, van het presidentieel decreet nr. 327 van 2001, vastgesteld door het Constitutionele Hof met uitspraak nr. 181 van 2011.
De Italiaanse wetgeving inzake onteigening voor het algemeen nut is complex en gedetailleerd. Artikel 40 van het presidentieel decreet nr. 327 van 2001 bepaalt de methoden voor de vaststelling van de schadeloosstelling die aan de eigenaren van onteigende onroerende goederen moet worden betaald. De uitspraak van het Constitutionele Hof heeft echter kritieke punten aan het licht gebracht, door enkele leden van het betreffende artikel ongrondwettelijk te verklaren. Deze beslissing heeft aanzienlijke gevolgen gehad voor de onteigeningsprocedure, met name wat betreft reeds bestaande overeenkomsten inzake de schadeloosstelling.
VAN DE SCHADELOOSSTELLING - VASTSTELLING (TAXATIE) - VERZET TEGEN DE TAXATIE Onteigening voor het algemeen nut - Overeenkomst inzake de schadeloosstelling voor niet-bouwbare percelen - Uitspraak van het Constitutionele Hof nr. 181 van 2011 - Na het sluiten van de overeenkomst ingetreden ongeldigheid van de overeenkomst - Gevolgen. Wat betreft onteigening voor het algemeen nut, de verklaring van ongrondwettelijkheid van art. 40, leden 2 en 3, van het presidentieel decreet nr. 327 van 2001, zoals bepaald in de uitspraak van het Constitutionele Hof nr. 181 van 2011, die plaatsvond tijdens de onteigeningsprocedure, maar vóór de akte van onteigening, leidt tot de na het sluiten van de overeenkomst ingetreden ongeldigheid van de eerder bereikte overeenkomst inzake de schadeloosstelling voor niet-bouwbare percelen. Dit stelt de eigenaar van het goed in staat om, na vaststelling van de bovengenoemde ongeldigheid, de vaststelling van de schadeloosstelling te vorderen conform art. 54 van het presidentieel decreet nr. 327 van 2001.
Het Hof van Cassatie heeft in zijn beslissing bevestigd dat de verklaring van ongrondwettelijkheid van de overeenkomst de geldigheid ervan aantast, waardoor het voor de eigenaar mogelijk wordt om een nieuwe taxatie van de schadeloosstelling te vragen. Dit betekent dat de rechten van de eigenaren worden beschermd en dat zij kunnen rekenen op een eerlijke en adequate waardebepaling op basis van de geldende regelgeving.
De uitspraak nr. 11608 van 2024 vertegenwoordigt een belangrijke stap voorwaarts in de bescherming van de rechten van eigenaren in geval van onteigening voor het algemeen nut. Het verduidelijkt dat de na het sluiten van de overeenkomst ingetreden ongeldigheid van een overeenkomst inzake de schadeloosstelling eigenaren in staat stelt om een nieuwe vaststelling van de schadeloosstelling te vragen, waardoor meer rechtvaardigheid en billijkheid in het onteigeningsproces wordt gewaarborgd. In een voortdurend evoluerend juridisch kader is het van essentieel belang om op de hoogte te blijven van jurisprudentiële uitspraken die de rechten en verwachtingen van burgers kunnen beïnvloeden.