Met verordening nr. 9333 van 2024 heeft het Hof van Cassatie een belangrijke verduidelijking gegeven met betrekking tot de vaststelling van kosten in executieprocedures. Deze uitspraak past in een complexe juridische context, waarin het essentieel is te begrijpen hoe juridische kosten worden bepaald en welk criterium moet worden toegepast in situaties van gedwongen tenuitvoerlegging.
Volgens artikel 95 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (WBR) moet de vaststelling van kosten specifieke criteria volgen. In het onderhavige geval hebben de rechters de toepassing van de criteria van "disputatum" en "decisum" uitgesloten, die betrekking hebben op de vaststelling van kosten in geschillen tussen partijen, kenmerkend voor artikel 91 WBR. Met andere woorden, in de context van gedwongen tenuitvoerlegging kan er geen sprake zijn van een werkelijke procesuele tegenstelling.
De uitspraak verduidelijkt dat in een executieprocedure de waarde van het "geschil" niet kan worden bepaald aan de hand van de bovengenoemde criteria, omdat de voorwaarden voor procesuele dialoog ontbreken. Daarom wordt het referentiecriterium de daadwerkelijke omvang van de gedane aanmaningen. Deze benadering is gebaseerd op het beginsel van de onderwerping van de schuldenaar, dat centraal staat in executieprocedures.
Vaststelling van kosten ex art. 95 WBR - Waarde van het geschil - Bepalingscriterium - Decisum en disputatum - Uitsluiting - Grondslag - Omvang van de gedane aanmaningen - Geldigheid. Voor de vaststelling van de kosten van de tenuitvoerlegging, met het oog op artikel 95 WBR, kan de waarde van het "geschil" niet worden bepaald op basis van het criterium van "disputatum" of dat van "decisum", dat betrekking heeft op de vaststelling ex art. 91 WBR en dus op een situatie van procesuele tegenstelling tussen partijen die leidt tot de verliezende partij van een van hen, terwijl de executieprocedure is gebaseerd op het beginsel van de onderwerping van de schuldenaar en er een volledige procesuele dialoog ontbreekt; daarom is het enige toepasselijke criterium de daadwerkelijke omvang van de gedane aanmaningen.
Concluderend vertegenwoordigt verordening nr. 9333 van 2024 een belangrijk referentiepunt voor alle juridische professionals die betrokken zijn bij executieprocedures. De duidelijkheid over de criteria voor de vaststelling van kosten, met name de uitsluiting van de criteria van "disputatum" en "decisum", biedt een solide basis voor het aanpakken van kwesties met betrekking tot juridische kosten in het kader van gedwongen tenuitvoerlegging. Het is essentieel dat advocaten en professionals in de sector deze bepalingen volledig begrijpen om een correct beheer van juridische kosten in de executiefase te waarborgen.